Recensies - klanten
Gelezen door Carel Zuil, een klant
Stephen Greenblatt De zwenking - hoe de wereld modern werd.
In 1417 vond de pauselijk secretaris en boekenjager Poggio Bracciolini in een Duitse kloosterbibliotheek (Fulda?) het manuscript van De rerum natura (Over de natuur van de dingen) van Lucretius. Over deze ontdekking van dit antieke leerdicht en de enorme invloed ervan schreef de Amerikaanse cultuur- en literatuurcriticus Stephen Greenblatt een werkelijk fascinerend boek: De Zwenking - hoe de wereld modern werd.
Lucretius (ca 99 – 55 voor Chr.) baseerde zijn dichtwerk op de leer van de Griekse atomisten, met name Epicurus (341-270 voor Chr.): de wereld bestaat uit leegte en een oneindig aantal onvergankelijke atomen die telkens andere combinaties aangaan. In een mechanische wereld is er dus geen voorzienigheid, geen schepping en zijn goden overbodig. Ook de mens is uit atomen opgebouwd en valt in losse atomen uiteen na zijn dood, er is geen ziel en geen leven na de dood.
Begrijpelijk dat De rerum natura gezien wordt als het atheïstische manifest van de Oudheid. Dit boek brak met het bestaande Middeleeuwse christelijke wereldbeeld en oefende invloed uit op Renaissance, Humanisme en Verlichting. Erasmus' vriend Thomas More, de Franse essayist Montaigne en de Nederlandse filosoof Spinoza hadden veel te danken aan Lucretius. Maar zijn invloed werkte ook door op kunstenaars als Botticelli en Leonardo da Vinci, dichters als Ariosto en Shakespeare, schrijvers als Denis Diderot, David Hume en anderen. Inhoudelijk is dit een sterk boek, Greenblatt heeft werkelijk wat te vertellen, en bovendien is De Zwenking goed, ja spannend geschreven. Wat wil je als lezer nog meer? € 39,95
Het open boek van de stad
Het gebeurt niet vaak – of eigenlijk nooit – dat ik een boek drie keer achter elkaar lees. Vorig jaar is me dat overkomen toen ik Open City (2011) in handen kreeg van Teju Cole. Dat is een van huis uit Nigeriaanse schrijver (en fotograaf) die in New York leeft en daar o.a. Nederlandse kunst uit de late middeleeuwen bestudeert. Dit is zijn eerste grote roman. Maar geen roman in de klassieke betekenis van het woord. Het is een stadsvertelling zonder herkenbaar plot dat begint en eindigt met de aandachtige observatie van de vogeltrek in de hemel boven New York. De vrije bewegingen en onvoorspelbare figuren in de lucht hebben een merkwaardige overeenkomst met de manier waarop de verteller Julius, aankomend psychiater, gedurende precies één jaar door de straten van Manhattan loopt. Ogenschijnlijk willekeurig en eerder ter afleiding van de dagelijks beslommeringen op het werk, dan gericht op een concrete bestemming. Toch zijn het geen lukrake wandelingen maar eerder psychegeografische zwerftochten die zowel de historische gelaagdheid van de stad als ook de dubbele bodems van de persoonlijkheid van Julius, als psychiater, migrant en flanerend intellectueel blootleggen.
Want, inderdaad, Julius is een complex en eigenwijs man waar je als lezer makkelijk mee in gesprek raakt omdat hij vrijwel over alles uitgesproken meningen heeft, of het nu gaat over migratie, radicale moslims, Gustave Mahler,John Brewster, Casper David Friedrich, Flaubert, Melville of Mohammed Choukri, de nationale schrijver uit Marokko. In het universum van Julius zijn ze allemaal even intens aanwezig als de straten en gebouwen waar hij langs loopt. Sterker nog: dagelijks feiten en gebeurtenissen, muziek en schilderijen worden ervaren, bijkans opgezogen en geïnhaleerd omdat dat de draden en lijnen zijn die uiteindelijk leiden naar de werkelijkheid die Julius is en die hij slechts ten dele kent. Niemand weet immers wat er onder de stoeptegels waar hij dagelijks overheen loopt verborgen ligt. Wat weet de zwarte taxichauffeur in z’n geel gevaarte nog van de wreedheden en vernederingen waar zijn voorouders ter plekke aan waren blootgesteld? En wat betekent ‘herinneren’ als we zelfs in staat zijn om zelfs recente gebeurtenissen zoals de gruwelijkheden van 11/9 als een gegeven feit op te nemen in de dagelijkse economie van de stad? En wie is in staat om duidelijke patronen te herkennen in de chaos die de beelden en geluiden dagelijks in ons bewustzijn teweegbrengen. Om maar te zwijgen over de kluwen van herinneringen en voorstellingen die ons steeds weer met de neus op de feiten van een half gekend verleden drukken? Julius in ieder geval niet, maar hij is er wel naar op zoek en daar gaat het boek over. Soms trekt de mist even op, meestal op momenten van intense esthetische ervaring, zoals in het American Folk Art Museum waar hij, in een vrijwel lege museumzaal, naar een werk van de dove portretschilder John Brewster kijkt en ervaart wat stilte is en hoe visueel stilte kan zijn. Een ervaring die hem de dagen daarna in staat stelt zin en orde te ontdekken in wat er in hem omgaat en wat er in zijn dagelijkse omgeving plaats vindt.
Een prachtig geschreven boek dat ik drie keer achter elkaar heb gelezen, omdat ik niet begreep waarom het boek zo’n cryptische titel had. Totdat ik er eindelijk achter kwam dat Manhattan voor een sensitief iemand als Julius weliswaar een open boek is, vol lering en vermaak, maar op een bedrieglijke manier ook ontoegankelijk. Op talloze momenten voelt hij zich, als Afro-Amerikaan, ‘anders’ en buitengesloten, een gevoel dat hij zelf cultiveert en tragisch-komisch ensceneert tijdens het concert in de Carnegie Hall bij de uitvoering van de Negende Symphonie van Mahler onder leiding van Simon Rattle. Na afloop neemt hij de verkeerde uitgang, komt terecht op een van de brandtrappen aan de gevel en weet zich pas na veel capriolen weer onder het uitwaaierend concertpubliek uit de voeten te maken.
Binnenkort verschijnt er een Nederlandse vertaling.
Documentatie over boek en auteur op de website: http://www.tejucole.com/other-words/small-fates
Ed Taverne
Caribou Island, David Vann
Irene en Carry zijn zo’n dertig jaar getrouwd en wonen aan de rand van een meer in een afgelegen streek van Alaska. Het is al snel duidelijk dat het geen rooskleurig huwelijk (meer) is. Hun twee kinderen leiden een eigen bestaan. Mark woont samen met zijn vriendin in de bossen en probeert met visvangst het nodige te verdienen. Hij heeft nauwelijks contact met z’n ouders. Rhoda woont al jaren bij een tien jaar oudere vriend die haar min of meer aan het lijntje houdt. Zij komt nog regelmatig bij haar ouders en maakt zich zorgen om hun steeds slechter wordende relatie.
Die bezorgdheid is niet ongegrond. Carry doet al jaren niets met zijn academische achtergrond. Het moment dat Irene met pensioen is, grijpt hij aan om eindelijk eens te beginnen met het bouwen van een blokhut op het onbewoonde Caribou Island. En wel met de bedoeling om daar te wonen. Ondanks vreselijke hoofdpijnen voegt Irene zich naar zijn plannen en helpt mee zo goed en zo kwaad als het kan.
Het lijkt avontuurlijk om overgeleverd aan de natuur, onder primitieve omstandigheden te gaan leven. Maar deze mensen, vooral Irene, zijn zo getekend door het verleden, het moet wel eindigen in een catastrofe. Het is te laat. Te laat in hun huwelijk, te laat in het seizoen.
Caribou Island is een adembenemend spannend boek. Het is verrassend door de verschillende perspectieven waaruit wordt geschreven. Daardoor leest het vlot. Mij spreekt enorm aan hoe David Vann het ruige landschap en het extreme weer beschrijft. En wat dat met mensen kan doen. De meest aangrijpende scènes zijn die waarin Irene en Carry zichzelf tegenkomen in dat verlaten, woeste landschap. Met name het verlangen van Carry om één te worden met de natuur, met de barre weersomstandigheden gaat ver. David Vann slaagt erin om dit levensecht over te brengen.
Koud krijg je het bij het lezen van dit boek...letterlijk en figuurlijk, € 19.90
Ida Bruijn
Na de Russen: Flaubert!
Daarom deze keer wéér een klassieker die veel oudere lezers al sinds hun jeugd zullen koesteren, maar die voor jongeren misschien eerder een onbekende historische grootheid is. En dat terwijl hij, Gustave Flaubert (1821-1880), ook na zijn dood iedere generatie opnieuw lezers heeft gevonden die, met ontzag voor zijn ideeën, genoten van zijn sublieme stijl. Sterker nog, in ons email-tijdperk worden nog steeds zijn 150 jaar geleden geschreven brieven gelezen als zijn ware meesterwerken (Haat is een deugd is een indrukwekkende bloemlezing uit zijn enorme correspondentie).
Misschien wel de meest hartstochtelijke schrijver van de moderne literatuur was hij, een man uit één stuk, die zich door niemand de wet liet voorschrijven - en al helemaal niet door de burgerlijke moraal van zijn tijd. Een onafhankelijke geest, een scherp verstand en een pen gedoopt in perfectionisme, dat is waarmee Flaubert zijn tijdgenoten vaak schokte – en waarom lezers ook lang daarna hem juist als een tijdgenoot in de armen sloten.
Madame Bovary, de eerste grote ‘moderne’ liefdesroman in de wereldliteratuur, bracht Flaubert (in 1857) na een reeks schandalen zelfs voor de rechter. Het boek zou een belediging voor de goede zeden zijn en wie het nu leest begrijpt dat veel 19de eeuwers niet bestand waren tegen Flaubert’s inzicht in het menselijke hart.
En jonge lezers in de 21ste eeuw zouden hem nu móeten lezen.
Om de sensatie die het is, dat ze met Madame Bovary een vrouw leren kennen die hen uit hun eigen leven van nu bekend zal voorkomen.
Dat is pas historisch besef: dat twee eeuwen geleden iemand geleefd heeft die je morgen zou kunnen tegenkomen.
En dat er toen een schrijver is geweest, die vandaag de dag nog steeds zijn gelijke niet heeft.
John Müller
Willem Wilmink herinnerd
Bij meer dan dertig graden in de schaduw las ik de bundel en ook dan: Willem Wilminks' Verzamelde Verhalen verwarmt. De verhalen zelf verwarmen namelijk, vandaar. Tijdens het lezen werd ik verkoeld door een zzoemende ventilator. Een gebiedje in mijn planète, rijmt op tête, ik kon het niet goed lokaliseren, werd zachtjes als door kindervingers gekieteld en daardoor op een prettige manier verwarmd. Tijdens enkele ontmoetingen met de schrijver overkwam me hetzelfde. Willem Wilmink was gewoon een érg aardige man die je blij maakte als hij met je sprak. Toen, in Groningen, klikte het en dat gebeurde opnieuw hier in het zuiden. Nu sprak hij me alleen maar aan, geluidloos, maar toch.
Indertijd was Wilmink gast van de Groningse universiteit en gaf een lezing en een paar gastcolleges. Groningen had en heeft een aantrekkelijke binnenstad, niet pretentieus, en kroegen als de Wolthoorn bevielen hem wel. Zijn verjaardag vierden we niet in de kroeg maar met een hapje eten, dus een feestelijke maaltijd. Het tafellinnen was helder wit, de glazen waren fonkelend gepoetst en de keuken deed wat Frans, maar net niet opdringerig. De mindere goden rond de tafel hielden zich voorlopig gedeisd. De bestuurders en hooggeleerden zetten in op een gemoedelijke sfeer, aangepast aan de aanwezigheid van een man die ronduit de pest had aan formaliteiten, prots en opsmuk. Overigens best lastig, gemoedelijkheid tussen bestuurders en bestuurden die niet zo van bestuur gediend zijn.
Het aperitief en de wijnen deden hun werk en zo achtte ik de sfeer los genoeg voor een klein intermezzo. Een kadootje aan de jarige. Ik had erg mijn best gedaan. Dat ik Willem een speeldoosje wilde geven was me direct duidelijk maar welk melodietje? Iets licht klassieks of vrolijk volks maar niet afgezaagd. Geen nachtmuziek. Iets dat monofoon tot zijn recht zou komen. Ik vond iets fraais op een rommelmarkt met oude spulletjes maar helaas, na meer dan twintig jaar ben ik vergeten wát precies en hoe het klonk. In ieder geval mooi, vonden gever en ontvanger. De jarige draaide aan het zwengeltje, zette het doosje op het damast, genoot van het gebodene en bedankte hartelijk. Maar de bestuurders keken tijdens het concertje wat gegeneerd voor zich uit of waren net toevallig met hun aandacht even ergens anders. Van genot hunnerzijds was in ieder geval geen sprake en hun ongemak zou nog erger worden.
Want ik had voor de vrouw van de jarige een troostkadootje meegebracht, omdat zij niet zo’n mooi speeldoosje had gekregen. Er was er maar één jarig tenslotte. Ze zat aan Willems zijde en had niet echt uitbundig gereageerd op zijn geschenkje. Nu was het haar beurt en van een troostkadootje had ze nog nooit gehoord, dat bleek uit alles. Toen ze de bromtol had uitgepakt keek ze geschokt. Niet Willem, o nee, die redde zijn eega en misschien ook wel de gulle gever. Hij reikte voor haar langs en drukte op de knop van de steel. Daar gíng de tol, zzoemend boven het damast, want heeft Wilmink niet gedicht “mijn bromtol kon zzoemen, daar zzoemde ik mee”.
Rond de tafel zagen nu ook sommige hooggeleerden het niet meer helemaal zitten. Zelfs ruimdenkende wetenschappers kennen grenzen, immers. Een wat ludiek en vrijpostig speeldoosje, vooruit, maar een ordinaire bromtol voor de tafeldame van de eregast? Minder protocollair dan bestuurders gaven ze blijk van enig ongemak. Stoelen verschoven, kuchen klonken, zelfs mompels waren hoorbaar. Als ik me goed herinner haastte de voorzitter van het College van Bestuur van de RuG (een klein u-tje, géén U!) zich om met een irrelevant woordje van zijn kant het incident de vergetelheid in te sturen. En ik? Ach, in mijn jongere jaren genoot ik wel van een stuntje.
Nee, echt boteren wilde het niet, lang geleden, aan die dis in het verre Groningen. Ook een beetje kil, daar, vergeleken met hier.
Wim Jonker heeft dit voor ons geschreven in zijn huis in Zuid-Frankrijk, enkele maanden voor zijn overlijden in oktober 2009.
Bekentenis van een lezer
Ik kwam vier dagen lang te laat op mijn werk. Aangewakkerde leeshonger hield me 's nachts te lang bij Atemschaukel, het laatste boek van Herta Müller. De Nobelprijs voor literatuur die zij dit jaar kreeg was een aansporing, want ik beken dat ik haar werk niet kende. Atemschaukel was mijn eerste, zeer gelukkige keus: een adembenemend boek. Aan de hand van aantekeningen van gesprekken die Müller voornamelijk met de inmiddels overleden Oskar Pastior voerde, vertelt ze over de jonge Leopold Auberg, die in januari 1945 vanuit Roemenië naar een werkkamp in de Sovjet-Unie wordt gevoerd. De schildering van zijn jarenlange gevangenschap overrompelt de lezer. Herta Müller heeft een ongenaakbare schrijfstijl. Leo’s erbarmelijke omstandigheden en ervaringen worden fijnzinnig beschreven, poëtisch welhaast. Zijn waarnemingen en gedachten, de medekampbewoners, de buitenwereld, weinig blijft onopgemerkt.
Uiterst knap hanteert Müller de Duitse taal, met abstracties en metaforen zoals de ‘Hungerengel’ die het kampleven dwingend beheerst, dag in dag uit, van uur tot uur, vijf jaar lang, en daarna. En dan is er Leo's relatie met zijn achtergebleven moeder, die hem niet of nauwelijks schrijft, behalve die ene keer, met een vreugdevolle en genadeloze mededeling tegelijkertijd, een ommekeer. De terugkomst jaren na het einde van de oorlog in 1950 wordt paradoxaal genoeg nog beklemmender dan het kampverblijf.
De ‘Hungerengel’ blijft zijn werk doen en wenkt. Een worsteling tussen geborgen heimwee en afkeer tekent de laatste bladzijden van Atemschaukel.
Mijn gestimuleerde leeshonger smaakte naar meer. Toen ik vervolgens de roman Herztier las, die vijftien jaar eerder werd gepubliceerd, bleef de waardering onverminderd hoog. De kampomgeving van Atemschaukel transformeert zich breeduit naar het Roemenië ten tijde van de dictatuur van ‘Friedhoffbauer’ Ceauçescu, de ‘Hungerengel’ wordt ‘das Angsttier’. De roman is een afschrikwekkend verhaal van onderdrukking, heimelijke en openlijke vervolging en indringende machteloosheid. De afkeer van het totalitaire Roemeense systeem is onontkoombaar: ‘das Schrecken der Angst’ doordrenkt het boek.
Wie Herta Müller's werk wil leren kennen leze Atemschaukel en Herztier na elkaar in het Duits, in die volgorde en in die taal. Om zo zonder uitstel in vervoering te raken van haar schrijverschap, van de schoonheid van haar taal, van haar observaties vooral, scherp tot op het bot van de werkelijkheid, met een onderhuidse aanklacht zonder rancune.
Het is dezelfde schrijfster die bekende: ‘Ich glaube nicht an die Sprache’. Herta Müller: een blijvende uitdaging tot lezen.
A. Boomsma, winter 2009
Atemschaukel 19.90 - gebonden, Herztier € 9.90 - pocket
In vertaling:
Ademschommel 24.90 - gebonden, Hartedief € 18.90 - gebonden
Herta Müller
Dit artikel gaat over het boek Dagboek 1935-1944 - de alom gerespecteerde banaliteit van het kwaad van de Roemeens- Joodse schrijver Mihail Sebastian (1907-1945). Het kreeg in 2006 postuum de prestigieuze Geschwister Scholl Preis.
Mihail Sebastian begint zijn dagboek in februari 1935, het Interbellum. In deze periode beleefde Roemenië een ongekende economische en culturele bloei.
In 1925 was hij met zijn familie naar Boekarest verhuisd, waar hij rechten studeerde. In 1925 werden zijn literaire talenten ontdekt en vangt voor hem een vruchtbare periode aan als publicist en redacteur. Hij schrijft een groot aantal toneelstukken en romans. Hij was geen populaire schrijver maar wel een beroemde.
In het dagboek beschrijft hij de opkomst van het politieke en militaire fascisme, waarvan de denkbeelden langzaam maar zeker werden overgenomen door de Roemeense intellectuele, politieke en culturele elite, waar ook Sebastian deel van uitmaakte. Sebastian verafschuwt de denkbeelden van het Roemeense facisme. Aanvankelijk kon hij aan het bruisende leven van ‘klein Parijs' in Boekarest blijven deelnemen. Hij beschrijft het leven in de theaters en concertzalen. Maar vanaf 1937 worden hij en alle ander Joden door wetgeving uitgesloten van de publieke ruimte. Het antisemitisme verwordt tot een banale alledaagsheid - ook onder zijn (beroemde) vrienden, die zich nu van hem afkeren.
Hij beschrijft zijn schrijverschap in dit veranderende politieke klimaat vanaf 1920 tot 1945. Ook schetst hij het verloop van de militaire gebeurtenissen in Europa en de directe gevolgen daarvan voor hemzelf en zijn familie. Sebastian overleefde de Roemeense Shoah maar werd op 29 mei 1945 door een Russische vrachtwagen doodgereden.
Ik vind het een buitengewoon fascinerend boek. Je wordt meegesleurd in de onafwendbare maalstroom van historische gebeurtenissen in Roemenië en Europa, gezien door de ogen van een individu en de gevolgen ervan op zijn dagelijks en persoonlijk leven. Indringend, integer, het was net ‘alsof ik er zelf bij was' zó indringend schrijft Mihail Sebastian. Dit dagboek dat al enkele jaren geleden is verschenen, verdient grote aandacht.
Mieke Hut
Mihail Sebastian - Dagboek 1935-1944 - de alom gerespecteerde banaliteit van het kwaad - € 34.90
‘Tot nu toe was het na het aanbellen volkomen stil gebleven, toen begon de klok weer te tikken en stond hij op'.
Deze prachtige zin in het eerste hoofdstuk van de nieuwe roman van Thomas Rosenboom Zoete mond is tekenend voor de hoofdpersoon. Rebert van Buyten, dierenarts, woont in Angelen, een klein dorpje aan de Rijn. Hij is daar neergestreken na een door dramatische omstandigheden tot stilstand gekomen bestaan als dierenarts. In dit dorpje bloeit hij tegen beter weten weer op. Maar ook deze bloeiperiode laat hij verstoren, ditmaal door een mededorpsbewoner, Jan de Loper. Of het slecht afloopt met Rebert van Buyten laat Rosenboom in het midden. Het is een roman die minder lijkt op Gewassen vlees, Publieke werken en De nieuwe man. Dit keer geen hoofdpersoon die een sterk streven heeft, waarin je na het lezen van het eerste hoofdstuk al weet hoe dit streven totaal gaat mislukken.
Het is een wat 'zoetere' roman om dit woord uit de titel maar te gebruiken. Maar met een prachtig taalgebruik, verrassende gebeurtenissen, voelbare dierenliefde en een uitgebalanceerde opbouw is het toch een echte Rosenboom. Zeer de moeite waard!
Arie Lameris
Thomas Rosenboom Zoete mond - gebonden € 28,50 - paperback € 22.50